Tagarchief: vreemdetalenonderijs

Grammatica of Lexicon 3

Over de vraag op wat voor kennis we onze correctheid van vorm baseren

 

Aflevering 3: Stuurt de grammatica spraakgebruik of  bepaalt taalervaring wat we als correct ervaren?

De vraag was: produceert iemand die ‘he can’ zegt, gewoon een als zodanig gekende woordcombinatie (uit het lexicon dus)? Of construeert hij een vorm van de grammaticale structuur ‘de modale hulpwerkwoorden’? In dat laatste geval moeten we elke in de correcte  vorm geproduceerde taaluiting altijd zien als exponent van een grammaticale structuur. Uit de vorige aflevering bleek dat je daar nogal wat kanttekeningen bij kunt plaatsen. In allerlei gevallen bleken ‘grammaticaal correcte’ vormen geproduceerd te kunnen worden zonder kennis van het betreffende ‘verschijnsel’. Komt alles dus gewoon uit het lexicon?

Ook daar kun je kanttekeningen bij maken. Driejarigen blijken morfologisch correcte zinnen te kunnen maken die ze nog nooit eerder zijn tegengekomen. Die vormen kunnen ze dus niet kant en klaar uit het lexicon hebben gehaald. Gebruiken ze dus toch een soort algemene regels? Regels van een ‘hogere orde’ dan het lexicale niveau? Maar hoe komen ze daar dan aan en gebruik je die regels in alle gevallen van morfologische variatie? (Zoals het construeren van de vorm ‘hoorde’ terwijl je alleen de vorm ‘horen’ kent.) En vormen zulke regels een samenhangend systeem, grammatica genaamd, dat onze taalproductie ‘regeert’? Een systeem, dat als het ware ‘boven’ de taalgebruiker staat in de vorm van een min of meer autonoom geheel van ‘wetten’ die de taal regeren zoals de natuurwetten de natuur. Er zijn verschillende redenen om je af te vragen of dat wel zo in zijn werk gaat.

Als zo’n regel deel uitmaakt van een min of meer autonoom systeem dat we niet zelf maken maar dat onafhankelijk is van onze luimen en grillen en dat we ons eigen moeten maken ‘zoals het is’, hoe kan het dan dat zo’n regel verandert in de loop van de tijd? Hoe moet je in dat geval bv. verklaren dat Van Lennep in de 19e eeuw “U” in de 1e naamval nog fout vond. (“U”, dat was volgens de schoolmeesters van toen de vorm voor de accusatief. De taaluiting ‘U maakt een fout.’ vond hij net zo verwerpelijk als velen van u de zin ‘Hun maken een fout’. De nominatief moest “Gij” zijn. Dus volgens Van Lennep:  ‘Gij maakt een fout.’ En ‘Ik berisp u daarom.’)

Hoe komt het dat in onze tijd nog maar weinig mensen de ‘fout’ horen in de zin “Als kinderen allemaal van elkaar verschillen, moet je ze niet allemaal gelijk aanpakken.” Terwijl mijn vader, een hoofdonderwijzer van de oude stempel, onder dat “ze” nog een dikke, rode streep zou hebben gezet. (“Kinderen zijn personen en geen zaken!!!”)  Wij zijn er kennelijk zo ‘aan gewend geraakt’ om “ze” ook voor personen in de 4e naamval te gebruiken, dat nog maar weinigen dat als fout waarnemen. Sterker nog: naar mijn ervaring bestaat zelfs onder diegenen die dat desgevraagd nog wel doen, de neiging om het ‘correcte’ “hen” te reserveren voor schriftelijk taalgebruik. Uitgesproken klinkt het niet lekker. Überhaupt kom ik in mondeling taalgebruik nog maar heel zelden “hen” tegen. Als het al voor komt klinkt het stijf en formeel. “Hun” daarentegen als 1e naamval meervoud voor personen (bij zaken wordt nog altijd uitzonderingsloos keurig ‘ze’ gezegd) is duidelijk aan een inburgeringstraject bezig. Over enkele decennia zal men niet eens meer begrijpen waar de schoolmeesters van nu het over hadden.

Dat regels door het gebruik zo moeiteloos blijken te kunnen veranderen rijmt slecht met de idee van grammatica als min of meer autonoom, productiesturend systeem, dat de basis of het geraamte van een taal vormt. We kunnen de regels voor de breking van het licht door een prisma toch ook niet veranderen “omdat de kleuren van regenboog niet meer zo goed in het modebeeld passen”?

Die schijnbaar autonoom functionerende  grammaticaregels blijken niet zo autonoom. Ze zijn kennelijk nogal afhankelijk van wat de gebruikers doen. In plaats van een samenhangend systeem lijkt die zogenoemde grammatica eerder een betrekkelijk arbitrair geheel van, soms nogal willekeurige afspraken, die je in principe naar believen kunt aanpassen. Afspraken van het type: “Hoe zeg je dat? Nou ja, gewoon: zo en zo …” Die afspraken hebben vaak een lange geschiedenis en hun functionaliteit verandert. Door ontwikkelingen of invloeden van buiten duiken nieuwe, wellicht handiger of efficiënter mogelijkheden op. En die raken dan snel ingeburgerd.

Het lijkt er verder op dat die afspraken nogal ongelijksoortig kunnen zijn. Soms hebben ze betrekking op een klasse van gevallen (Bv. dat we afspreken dat ‘hij’ als lijdend voorwerp altijd ‘hem’ wordt). Maar er zijn ook nogal wat afspraken zijn die maar voor één enkel geval gelden. (Waarom zeggen we wel “mijns inziens” en niet “mijns begrips”?

Soms lijken ze ook nogal willekeurig en weinig consequent. Waarom zeggen we in het Engels bv. als we iets absoluut niet willen: “That is out of the question”. Maar als we iets wél willen zeggen we niet: “That is into the question”? En trouwens, waarom schrijven we “out of” in twee woorden en “into” als één woord.? Nou gewoon: dat zeggen cq. schrijven we zo. En hoe weten we dat? Nou, gewoon, dat hebben we altijd zo gehoord of gelezen. Niet onze kennis van het systeem stuurt het gebruik, maar de frequentie van het door ons waargenomen gebruik bepaalt het systeem.

Je zou je zelfs kunnen afvragen of de grammatica als min of meer autonoom, samenhangend systeem van regels, zoals wij dat in ons onderwijs aanbieden, in die vorm überhaupt wel bestaat in het brein van de taalgebruiker. Of dat het een artefact is, geconstrueerd door taalkundigen, bedacht om de taal makkelijker te kunnen bestuderen en over de resultaten daarvan met elkaar te communiceren? Terwijl ons oordeel over de correctheid van taaluitingen gewoon het product is van nogal gevarieerde en ongelijksoortige ervaringskennis?

De veronderstelling dat kennis van wat correct taalgebruik is, minstens in een flink aantal gevallen is gebaseerd op ‘wat je vaak hebt gehoord of gelezen’ is speculatief. Maar in uitkomsten van allerlei onderzoek over de werking van ons brein zijn aanknopingspunten te vinden die deze aanname ondersteunen en in een aantal opzichten verklaren. Daarover meer in de volgende afleveringen.

Advertenties