Maandelijks archief: april 2018

Grammatica of Lexicon 8

Over de vraag op wat voor kennis we onze correctheid van vorm baseren

Aflevering 8: De verwerving van waarschijnlijkheidskennis

In het voorafgaande bleek het cognitieve voordelen te hebben om gebruik te maken van kennis over de statistical tendency to co-occur van woorden en vormen. Ik heb dat waarschijnlijkheidskennis genoemd. De vraag was hoe zulke kennis tot stand komt. Om dat uit te leggen moet ik even uitweiden over de werking van ons geheugen. Met name over de vraag hoe de daarin aanwezige kenniselementen ‘in elkaar zitten’. Over dit soort processen heb ik uitvoeriger geschreven in Westhoff (2009) https://www.stedelijkonderwijs.be/sites/default/files/bestand/het%20geheim%20van%20de%20flipperkast.pdf

Heel in het kort gezegd komt dat op het volgende neer:

Anders dan lang is aangenomen, bestaan de dingen die wij weten niet uit afzonderlijke min of meer afgeronde gehelen. Wij hebben niet een plaatje in ons hoofd van het concept ‘roos’ of ‘slag bij Waterloo’. Wat we weten hebben we opgeslagen in de vorm van een soort netwerken van aan elkaar verbonden eigenschappen of kenmerken. Zulke kenmerken zijn nogal ongelijksoortig. Ze kunnen iets zeggen over de betekenis van zo’n kenniselement (semantische kenmerken). Zo weten we dat een roos een plant is, lekker ruikt, doorns heeft, etc., maar ook dat hij als symbool voor de arbeidersstrijd wordt gebruikt (roos in de vuist) en in de poëzie vaak staat voor schoonheid en liefde. Maar van het concept ‘roos’ kennen we ook morfologische eigenschappen. Bv dat het een meervoud heeft op –en ( “één roos, een bos rozen”) en dat die –s- dan een –z- wordt. We kennen er syntactische eigenschappen van, zoals dat het in zinsverband als onderwerp en als lijdend voorwerp kan voorkomen maar niet als gezegde of als bijvoeglijk naamwoord. En zo zijn er nog een aantal categorieën van eigenschappen die samen het netwerk ‘roos’ vormen. Een in dit verband zeer relevante  categorie is onze kennis dat je ‘roos’ goed kunt combineren met het woord ‘rood’ en slecht met ‘vloeibaar’, enz. (collocatie-kennis) Wat algemener geformuleerd: van de woorden die we kennen weten we ook iets over de waarschijnlijkheid van mogelijke combinaties met andere woorden (en vormen).

In een netwerk zijn de verschillende kenmerken met elkaar verbonden. Daardoor kan een concept vanuit elk kenmerk geactiveerd worden. Om het concept ‘roos’ op het beeldscherm te krijgen kun je dus beginnen met het wakker maken van het kenmerk ‘heeft doorns’, maar je kunt ook beginnen bij het kenmerk ‘geur en maneschijn’ of bij ‘1 mei’. Maar wat uiteindelijk opdoemt wordt niet alleen bepaald door de samenstellende onderdelen. Met name de dikte ertussen is bepalend voor het uiteindelijk resultaat. Wat kort door de bocht: hoe dikker de verbinding, des te pregnanter wordt dat kenmerk in de betekenis die we aan dat netwerk hechten en des te sneller wordt het kenmerk opgeroepen. Dat maakt de vraag interessant hoe die dikte ontstaat.

Een verbinding tussen verschillende kenmerken ontstaat doordat er in het werkgeheugen aan die kenmerken in combinatie met elkaar wordt gewerkt. Die bewerking laat een spoor na in de vorm van een verbinding. Elke keer als een bepaalde combinatie in zo’n netwerk in het werkgeheugen wordt bewerkt, wordt de verbinding van die combinatie met het netwerk dikker.

Kort en simpel gezegd: kennis over de waarschijnlijkheid van combinaties van woorden  met woorden en van woorden met vormen, ontstaat doordat ons brein bijhoudt hoe vaak een bepaalde combinatie in het werkgeheugen is bewerkt. Dwz. dat een combinatie makkelijker correct geproduceerd zal worden, naarmate hij in de input vaker is voorgekomen. Omgekeerd, als we hem weinig zijn tegengekomen, dan is de combinatie moeilijk terug te vinden. We moeten dan terugvallen op creative speech en dat levert vaak weinig op.

Een voorbeeld van dat fenomeen is, dat een vorm als “Gib mal her!” door Nederlanders bijna altijd zonder nadenken goed wordt gezegd, terwijl je aarzeling ziet in de zeer zeldzame gevallen waarin er van die gebiedende wijs de meervoudsvorm gevraagd wordt. (Is het nu “Gibt –  of Gebt mal her”?). Met behulp van de netwerktheorie is dat als volgt te verklaren: Je hebt voor e/i-Wechsel bij sterke werkwoorden in de gebiedende wijs enkelvoud en meervoud ooit een regel gehad. Maar die ben je al lang vergeten, want die heb je na die ene invuloefening nooit meer gebruikt.  “Gib mal” construeer je op grond van waarschijnlijkheidskennis die je hebt opgebouwd doordat die vorm vaak in de input aanwezig is geweest en daardoor een dikke verbinding heeft veroorzaakt. Maar die gebiedende wijs meervoud komt in gangbare input nauwelijks voor. Voor die spreekintentie wordt in het Duitse taalgebruik bijna altijd de beleefdheidsvorm gebruikt. Dus is er voor de vorm van het meervoud geen of nauwelijks een verbinding gevormd. Bij gevolg maakt die vorm niet of nauwelijks deel uit van het netwerk ‘geben’.

Zo kun je ook verklaren waarom Nederlanders moeiteloos “Verstehst du?” zeggen en desgevraagd vaak pas na enig aarzelen, wat onzeker “Stiehlst du?” weten te produceren (als al). Als je denkt dat we zulke vormen via creative speech construeren is dat onlogisch. “Verstehst du?” is immers een ingewikkelde uitzondering (wél sterk werkwoord, toch geen e/i-Wechsel), terwijl “Stiehlst du?”  volkomen regelmatig is (sterk, dus e/i-Wechsel).  Als je er van uitgaat van we taal construeren via het toepassen van grammaticaregels zou dat laatste dus makkelijker moeten zijn. In de praktijk blijkt het omgekeerde. Het is in cognitieve zin veel voordeliger om de regels maar de regels te laten en je vanwege de cognitieve economie te beperken tot ‘kennis’ over de waarschijnlijkheid van combinaties.

Dat geldt niet alleen in zulke specifieke gevallen. Het kan ook in wat algemenere vorm. Zo ´leren´ we bv. door de verwerking van veel input dat de kans dat in het Duits “zu ” met “der”, “dem” of “den” wordt gecombineerd oneindig veel groter is dan met “die”, of “das”. Bij dit laatste type, op grond van veel inputverwerking opgebouwde waarschijnlijkheidskennis begin je al aardig in de buurt te komen van wat we grammaticaregels plegen te noemen, al zijn dat nog steeds niet de systematische overzichten van verschijnselen zoals wij die achtereenvolgens in onze schoolboeken plegen te behandelen.

Er is kortom tussen chunks aan de ene kant en aan de andere kant het toepassen van ingewikkelde regels zoals die over het gebruik van de Engelse werkwoordstijden of het kiezen tussen ser en estar een heel groot gebied van tussenvormen die door ons brein deels als chunk, deels als quasi-chunk, op basis van waarschijnlijkheidskennis, deels als creative speech worden behandeld. Voor één en dezelfde vorm kan dat ook nog per persoon verschillen. Als een bepaalde constructie bij iemand telkens weer voorkomt wordt het voordeliger om die als chunk in het lexicon op te slaan, terwijl dat bij iemand anders niet lonend is, omdat hij bij die persoon zo weinig voorkomt dat het efficiënter is om hem in die zelden voorkomende gevallen maar even langs de ingewikkelde weg in elkaar te zetten.

Dat brengt ons bij de vraag of er ook iets te zeggen valt over wanneer je beter voor het één dan wel voor het ander kunt kiezen. Daarover in de volgende aflevering.

Literatuur

Westhoff, G. (2009). Leren overdragen of het geheim van de flipperkast. Elementaire leerpsychologie voor de onderwijspraktijk. Biezenmortel: MesoConsult.

 

Advertenties