Grammatica of Lexicon 5

Over de vraag op wat voor kennis we onze correctheid van vorm baseren

Aflevering 5: Chunks als eerste keuze, regels alleen als noodzakelijk

In het voorgaande bleek dat we in een aantal gevallen morfologisch correcte taaluitingen produceren zonder de onderliggende grammaticale regels te gebruiken of zelfs te kennen. Dat was te verklaren uit de beperkte capaciteit van het werkgeheugen (WG). Het toepassen van regels legt beslag op zoveel ruimte dat het WG al gauw aan de inhoud nauwelijks meer toekomt en plat dreigt te gaan. Om dat te voorkomen blijkt het efficiënter een veel voorkomende combinatie van vormen al bij binnenkomst niet op zijn grammaticale regelmatigheid te analyseren, maar als één geheel te behandelen alsof het één enkel woord is en ook als zodanig op te slaan. Zo kun je hem als je hem nodig hebt ook weer kant en klaar oproepen, zonder een beroep te hoeven doen op schaarse geheugenruimte.

Zulke combinaties worden chunks genoemd. Omdat ze, hoe lang ze ook zijn, worden geleerd, opgeslagen en geproduceerd alsof ze één enkel woord zijn, worden ze in de vakliteratuur ook wel aangeduid als Morpheme Equivalent Unit of MEU. Het gebruik ervan wordt formulaic speech genoemd. Dit ter onderscheiding van creative speech waarbij de ‘kale’ vormen uit het lexicon wordt gehaald en met behulp van regels in de goede vorm en volgorde worden gezet. Voor het onderwijs is het natuurlijk interessant om meer te weten over de verhouding tussen die twee. In de vreemde talenlessen gaat het overgrote deel van de energie naar aanleren en toepassen van creative speech. Klopt dat een beetje met wat ons brein doet in de werkelijkheid van het dagelijks taalgebruik?

In de literatuur vind je ook de opvatting dat taalgebruikers ‘by default’ formulaic speech gebruiken. Als ze de keus hebben kiezen native speakers er volgens Wray (2002) bv. “overwelmingly” voor om boodschappen volgens bestaande, vaste uitdrukkingen te formuleren, ook al zouden ze best in staat zijn om dat ook via het volgens regels in elkaar zetten van losse onderdelen te doen. Dat wil zeggen dat niet alleen beginners, maar in principe alle taalgebruikers altijd eerst kijken hoever ze met het combineren van chunks kunnen komen en pas als dat niet lukt terugvallen op creative speech (Wray, 2008).

Dat klinkt logisch. Maar de volgende vraag is natuurlijk of er aanwijzingen zijn dat het ook echt zo gebeurt. Zulke aanwijzingen zijn er. Niet alleen uit onderzoek (Ellis, 2003; Erman & Warren, 2000; Jones & Haywood, 2004; Meunier & Granger, 2008; Schmitt, 2004; Wray, 2002), waaruit ook veel van de in het navolgende gegeven voorbeelden afkomstig zijn.

Maar het is ook betrekkelijk makkelijk om uit eigen taalgebruik allerlei voorbeelden te vinden waarbij het uitermate onwaarschijnlijk is dat  we die, toen we er mee werden geconfronteerd op hun grammaticale structuur hebben geanalyseerd. Je kunt hier denken aan frasen als “te elfder ure”. Gezien het geslacht van uur (onzijdig) is die –r- grammaticaal erg raar. Maar dat valt je pas op als je erop wordt gewezen. Iets dergelijks zie je bij “uwe majesteit”. Hoezo “uwe“? Dat is grammaticaal toch eigenaardig? Van wie is die majesteit dan? En in het Duits: waarom “trotzdem”? “Trotz” heeft toch de genitief? Waarom is het dan niet “trotzdessen”? Dat daar grammaticaal iets niet aan klopt valt bijna niemand op. Kennelijk hebben we die stukken taal zonder grammaticale analyse ooit tot ons kennisbezit gemaakt en ze ook zonder enig grammaticaal besef geproduceerd.

Ook is het niet moeilijk om voorbeelden te vinden van tamelijk frequente frasen of zelfs hele zinnen waarvan moeilijk voorstelbaar is dat het überhaupt mogelijk is dat ze langs de ‘creative’ weg zijn geconstrueerd. D.w.z. dat ze in elkaar zouden zijn gezet door de ‘kale’ vormen uit het  langetermijngeheugen te halen en die vervolgens met behulp van regelkennis in de juiste vorm te brengen. Probeer dat maar eens met uitingen als:  “What’s the wheather like to day?”,  “Have you got a…”, “As a matter of fact, …”, “Das grenzt ans …(bv. Unvorstellbare)”, “Wie dem auch sei, …”, “Nicht, dass ich wüsste”. En toch is het vaak juist het gebruik van dit soort frasen die het gebruik van de vreemde taal een nativelike karakter geven.

Er is nog iets interessants aan de laatste voorbeelden. Kennelijk kunnen chunks voorkomen in de vorm van een compleet en afgesloten geheel (“Thank you very much”, “Je vous en prie”), maar ze komen ook vaak voor als ‘halfproduct’. Als woordcombinatie met een open plek, die met variabele onderdelen kan worden aangevuld (“Sauriez-vous me dire …“, e.d)

De vraag is nu natuurlijk wanneer we de input waaraan we worden blootgesteld wél analyseren en wanneer we dat niet doen. Volgens Wray (2002) is het antwoord dat iemand die een taal aan het leren is (moedertaal of vreemde taal) bij het verwerken van input in principe niet analyseert, tenzij daar een speciale reden voor is. Dit verschijnsel wordt Needs Only Analysis (NOA) genoemd. Dat roept natuurlijk de vraag op wat die specifieke redenen dan wel zouden kunnen zijn. Wray geeft er twee. Volgens haar zal bij inputverwerking niet worden geanalyseerd

  1. zolang de taaluiting waaraan we worden blootgesteld als geheel kan worden begrepen ‘zoals hij is’ (d.w.z. zonder analyse, vgl. trotzdem) en
  2. als er geen reden is om aan te nemen dat je de combinatie met kleine veranderingen ook voor andere toepassingen kunt gebruiken. (De combinatie is niet variabel)

Voor dat laatste geeft ze als voorbeeld: “How do you do”. Dat kom je alleen in die vorm tegen. Variaties als “How does he do” of “How did you do?” zul je niet snel aantreffen. Dat zelfde geldt ook voor een woordcombinatie als “Thank you very much”. Die vormt één geheel en is niet variabel. Pas als variaties wel regelmatig in input gaan opduiken begint het voordelig te worden enige analyse toe te passen. Wray geeft als voorbeeld “Have you seen Daddy’s sock?”, waarbij in volgende gevallen in plaats van “sock” ook “coat”, “phone”, e.d. kan voorkomen. In dat geval is het dus handiger om niet de hele zin als chunk op te slaan, maar alleen het eerste stuk.

Dat zou kunnen verklaren waardoor je tto-leerlingen uit het eerder geciteerde onderzoek van Verspoor e.a. (2010) die “de taal (…) zonder veel expliciete aandacht voor grammatica” hadden geleerd, niet gauw zult betrappen op fouten van het type “he cans”. Die vorm is bij hen immers nooit aanwezig geweest in de input die ze hebben verwerkt. En er is op grond van de NOA-theorie voor hen nooit reden geweest om de wél vaak voorkomende combinatie “he can” nader te analyseren. Bv. door zich te realiseren dat, anders dan bij de regelmatige werkwoorden, voor to can dezelfde regels gelden als voor de andere modale hulpwerkwoorden ‘to will’, ‘may’, ‘must’ en ‘shall’ (geen -s- bij h/she/it). Fouten als “he cans” ga je pas maken als je die analyse wél doet. Uit zulke fouten blijkt dus niet een gebrek aan grammaticatraining, ze zijn er het gevolg van.

 De volgende vraag is of de NOA-theorie betekent dat er altijd wordt geanalyseerd zodra er niet aan beide voorwaarden (als één geheel begrijpelijk en niet variabel) is voldaan. Daarover meer in de volgende aflevering.

Literatuur

Ellis, N. (2003). Constructions, Chunking, and Connectionisme: The Emergence of Second Language Structure. In C. Doughty, J & M. Long, H (Eds.), The Handbook of Second Language Acquisition (pp. 63-103). Malden,Oxford,Melbourne,Berlin: Blackwell.

Erman, B., & Warren, B. (2000). The idiom principle and the open-choice principle. Text(20), 29-62.

Jones, M., & Haywood, S. (2004). Facilitating the acquisition of formulaic sequences: An exploratory study in EAP context. In N. Schmitt (Ed.), Formulaic Sequences. Acquisition, processing and use (pp. 269-292). Amsterdam Benjamins.

Meunier, F., & Granger, S. (Eds.). (2008). Phraseology in Foreign Lanaguage Learning and Teaching. Amsterdam: John Benjamins.

Schmitt, N. (Ed.). (2004). Formulaic Sequences. Acquisition, processing and use. Amsterdam/Philadelphia: Benjamins.

Verspoor, M. H., Schuitemaker – King, J., van Rein, E. M. J., de Bot, K., & Edelenbos, P. (2010). Tweetalig onderwijs: vormgeving en prestaties. Onderzoeksrapportage RUG.

Wray, A. (2002). Formulaic language and the lexicon. Oxford: Oxford University Press.

Wray, A. (2008). Formulaic Language: Pushing the Boundaries. Oxford: Oxord University Press.

 

 

Advertenties

Een gedachte over “Grammatica of Lexicon 5

  1. Dirk Tuin

    Een andere vreemde grammaticale structuur lijkt met Afke’s tiental van Nienke van Hichtum zijn intrede te hebben gedaan. Nu weet ik niet of zij hiervoor verantwoordelijk kan worden gehouden, maar vreemd blijft in mijn ogen (en vooral oren) het gebruik van het mannelijk voor het vrouwelijk. Kims pony, Noortjes paard. Onze kleinkinderen die drietalig opgroeien (schweizerisch, Duits en Nederlands) zullen in dit soort gevallen altijd “haar” gebruiken: Kim haar pony, Noortje haar paard. Maar het geslachtgebruik is moeilijk. Zoals Wim Kan al zei: mens is mannelijk behalve als het vrouwelijk is dan is het onzijdig.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s